UIT ONS ARCHIEF: OR-leden, hun informatie, hun vorming
In art. 18 2e en 3e 'lid van 'de Wet op de ondernemingsraden 1979 wordt bepaald dat er voor OR-leden een minimum aantal van 5 studiedagen per jaar beschikbaar moet zijn. In een gesprek met OR-leden komt vaak naar voren dat dit wel erg weinig is.
Dit wordt ondersteund door verschillende motieven. De studiedagen worden in het algemeen ervaren als een vorm van onderling beraad en ter verbetering van de onderlinge verstandhouding. Weliswaar gaan de leden van een vakbond bij de bond een cursus volgen. Door deze gescheiden cursussen kan er een kloof ontstaan tussen georganiseerden onderling en tussen hen en de soms grote groep ongeorganiseerden. Juist als de ondernemingsraad in een conflictisituatie als één geheel zou moeten functioneren, kunnen er dan (door onbegrip) afstanden ontstaan tussen georganiseerden en ongeorganiseerden die het optreden als ondernemingsraad bemoeilijken. Ook komen er van de ene cursus andere technieken binnen als van andere. Samengevoegd in de vergadering kan dit een kortsluiting opleveren die de discussies alleen maar bemoeilijkt. Natuurlijk hebben die georganiseerden het recht bij hun eigen bond naar een cursus te gaan. Maar men moet zich wel van tevoren duidelijk de mogelijke consequenties daarvan realiseren. Overleg met de gehele ondernemingsraad zou ertoe kunnen leiden dat de leden zowel naar een cursus van de vakbond als ook samen met de gehele ondernemingraad naar andere cursussen gaan, bijv. op een volkshogeschool. Daarenboven, het komt meer en meer voor dat de gehele ondernemingsraad samen met de voltallige directie en commarissnen op retraite gaat.
Wilt u de hele tekst ontvangen, neem dan even contact met ons op over de woorwaarden.