Artikel over vakmanschap


Wordt vakmanschap doodgeknuffeld door soft skills?

Eerherstel voor de techniek




Is er nog eer te behalen aan werken in de techniek? Velen denken van niet, zo kan worden opgemaakt uit ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de vraag naar bedrijfstrainingen. Over dat laatste: het is vooral teamwork wat de klok slaat, kernkwadranten, timemanagement en natuurlijk klantgerichtheid. Maar zou het bijhouden van vakkennis ertoe leiden dat de apparaten die je ontwerpt voor klanten ondoorgrondelijk worden en ga je plotseling de gangen van een duur hotel ontsieren met een besmeurde overal? Kortom: wordt de aandacht voor soft skills niet overdreven? En verdient een monteur die weliswaar modderpoten heeft en een slecht humeur, maar wel vakkundig het probleem oplost, niet de voorkeur van klanten, ten koste van een beleefde beunhaas?


Door gebrek aan technische kennis duren onderhoudstops in de papierindustrie veel langer dan nodig is, waardoor een schade ontstaat van minimaal enkele tonnen per week. Het kost de chemische industrie veel moeite om toe te geven dat daar hetzelfde probleem bestaat en wie vraagt of ook het ongevalsrisico toeneemt krijgt ontwijkende antwoorden. Bekend is wel dat monteurs van energiebedrijven zich beklagen dat ze de werking van gascompressiestations niet meer volledig beheersen. Een ongevalexpert die anoniem wil blijven geeft toe dat veel ongevallen samenhangen met menselijk falen en ‘opleidingstekort maakt daarvan een substantieel deel uit’. Ook de productiviteit loopt gevaar: storing zoeken door automonteurs duurt langer dan nodig is en de klant kijkt kritisch naar de rekening. Een sector die er meestal in slaagt om de schade af te wentelen is de ict. Afnemers die te maken krijgen met slecht werkende computersystemen voelen zich vaak afhankelijk van hun leverancier en nemen genoegen met uitlatingen als ‘voor een meerprijs lossen we het op’ of ‘wacht u op de volgende versie’.



Sexy opleidingen

Zonder transport staat alles stil’ zegt een lobbyclub. Maar zonder technisch onderhoud zou het transport spaak lopen, net als alle verwarminginstallaties, pc-netwerken en beveiligingssystemen. Baudouin Knaapen, bestuurslid van de sectie HRD binnen de NVP en adviseur bij Synact: “Het belang van vakmanschap wordt in de samenleving onderschat. Mensen slaken een zucht van verlichting als hun nieuwe keuken probleemloos is geïnstalleerd, maar ze ontmoedigen hun kinderen de techniek in te gaan, daar krijg je maar vuile handen van en hernia. Decanen op het voortgezet onderwijs zeggen dat ook. Tien jaar geleden zag je al dat onderwijsinstellingen het niet meer sexy vonden om puur technische opleidingen te verzorgen. Het is, denk ik, een uitvloeisel van het feit dat in deze samenleving werk dat met het hoofd wordt verricht meer status heeft dan werk met je handen. Want ook al ben je als technicus academisch gevormd, het product dat je maakt bestaat uiteindelijk uit tastbare schroeven, moertjes, stekkers en klemmen. Het is toch vreemd dat een frauderende bankemployee die zijn werkgever tilt voor twintig miljoen van krantenlezers het predikaat ‘handige jongen’ krijgt. Terwijl over een meubelmaker die een mooie driezitter ontwerpt, produceert en aflevert wordt gezegd ‘toch jammer dat hij niet kon leren’. Ook het bedrijfsleven laat zich in die richting meesleuren, gezien de bezuinigingen op bedrijfsscholen en de vervanging van technisch opgeleide docenten daar. Ik zeg niet dat soft skills onbelangrijk zijn, maar de aandacht ervoor is meestal overmatig. De hoge werkdruk beperkt de lengte van opleidingen; er is wel wat tijd over voor theorie en routinematige handelingen, maar het omgaan met incidenten is als eerste gesneuveld. Waar technici vroeger werden voorbereid op het adequaat omgaan met bijvoorbeeld een lekkage of een ongeval, bestaat nu het risico dat de gevolgen daarvan ernstiger zijn dan voorheen. Dat schaadt de omzet van het bedrijf, maar ook het imago en het kan zorgen voor hoge maatschappelijke kosten.”


Ook Arie Kraaijeveld, voorzitter van FME-CWM, de werkgeversorganisatie voor de metaal, merkt op dat kinderen geen florissant beeld van de techniek wordt voorgehouden: “Ouders raden hun kroost af in de techniek te gaan, tot ze een rekening van de loodgieter krijgen. Dan ontdekken dat die tegenwoordig meer dan een ton per jaar verdient en kijken ze met andere ogen. Het begint trouwens al op de basisschool, daar werken vooral vrouwelijke onderwijzers en die hebben nou eenmaal minder affiniteit met techniek. Wat ook niet helpt is dat kinderen bang zijn om voor nerd te worden uitgemaakt. Verder zijn docenten in het vervolgonderwijs niet meegegaan met de technische ontwikkelingen, waardoor de kwaliteit van het technisch onderwijs vermindert. We hebben daarom de docentenstages geïntroduceerd, er zijn bijna 250 bedrijven waar docenten gedurende enkele dagen kennis kunnen nemen van de praktijk over onderwerpen als werkvoorbereiding, productontwikkeling en kwaliteitszorg. Helaas is er weinig belangstelling omdat ze er geen tijd voor hebben. Wat we niet meer doen is het houden van campagnes met petjes, posters en t-shirts, in plaats daarvan zorgen we dat bedrijven bij het onderwijs af en toe een soort speeltuin van technische apparatuur neerzetten waar kinderen zich naar hartelust op kunnen uitleven.” Ook participeert FME CWM in de stichting Axis (zie kader): “Als voorzitter van Axis kan ik ervoor zorgen dat het bedrijfsleven dit probleem gezamenlijk aanpakt waardoor het geld beter wordt besteed. Ik schat dat er de afgelopen tien jaar door het bedrijfsleven wel vijftig miljoen gulden is uitgegeven om het technisch onderwijs beter en aantrekkelijker te maken. Ik vind het erg jammer dat bij bedrijfsopleidingen een groot deel van het budget wordt verspild aan soft skills. Dat is alleen maar te verklaren vanuit een fors gebrek aan gezond verstand bij de inkoop van trainingen en de leepheid van aanbieders om daar misbruik van te maken.”


Kunstmatige functies

Niet alleen is de instroom naar technische beroepen te laag, de uitstroom is veel te hoog, zo constateert Aat van Steenderen van Trigger, een stichting die zich bezighoudt met de ontwikkeling van technisch talent. “Overheidscampagnes als Kies exact hebben natuurlijk geen zin als technische studies verwateren door het opnemen van bedrijfskundige vakken. Bovendien krijgen toptechnici en degenen door wie ze worden opgeleid een mager salaris. Er is ook weinig carrièreperspectief, je kunt bijna alleen maar manager worden en het is een brevet van onvermogen als daar je ambitie niet naar uitgaat. Bij een grote onderneming waar ik ooit rondliep was eens een constructie bedacht met allerlei kunstmatige functies voor technici, ze werden bij wijze van spreken elkaars leidinggevende. Ik vind dat veel HRM-afdelingen slordig omgaan met de human resources van technici, zij kiezen meestal hun vak vanuit de fascinatie om een mooi product te realiseren, niet om de carrièreladder te bestijgen. Het is onverstandig en schadelijk om een goed functionerende technicus een baan als manager aan te bieden, terwijl een slecht functionerende collega die kans juist nodig heeft. Het lijkt allemaal voort te komen uit een overtrokken aandacht voor procesmatig en relatiegericht denken, ten koste van vakinhoudelijke kennis. Ik zeg niet dat alle opleidingen volledig uit vaktechniek moeten bestaan, maar doorgezaagd worden over omgangsvormen en slechtnieuwsgesprekken is niet voor iedereen interessant. Veel zinniger is het om specialisten trainingen te geven in samenwerken zodat ze elkaars discipline en belangen beter begrijpen. Om ze goed te laten functioneren en te behouden voor het bedrijf moeten ze ook beter gecoacht worden bij het uitstippelen van hun carrière.”


Evelyn van Asselt, instructietechnoloog bij opleidingsbureau Cirquest is het met Van Steenderen eens dat trainingen soft skills voor technici vaak weinig rendement opleveren. “Sommigen hebben hun vak zelfs gekozen, mede vanuit gebrek aan affiniteit daarmee. Wat je kunt doen is deze vaardigheden zo nodig ontwikkelen en in elk geval zorgen dat de ergste valkuilen worden vermeden. Overigens ben ik van mening dat een training zinloos zonder koppeling met het dagelijks werk van de cursisten; een docent die daar weinig van weet is niet geloofwaardig. Dat een algemene training klantvriendelijkheid zou leiden tot werkelijke gedragsverandering is een mythe die helaas door de opleiderswereld in stand wordt gehouden. Daarmee kun je op een vrijblijvende manier heel wat omzet binnen slepen, maar bureaus die streven naar langdurige relaties met klanten kan ik alleen maar aanraden die verleiding te weerstaan. Zorg voor kwaliteit, haal niet alleen de werksituatie in een vaktechnische training, maar zorg ook dat de over te dragen kennis tijdens het werk toegankelijk is, bijvoorbeeld via een naslagwerk. En steek je nek maar uit, onderzoek het resultaat door een toets of desnoods door observaties tijdens het werk. Meet ook de productiviteit en tijdens rollenspelen met acteurs de soft skills. Een training die we verzorgden bij Mars voor medewerkers van de verpakkingsafdeling bleek een terugverdientijd te hebben van ruim twee jaar. Misschien is dat niet spectaculair, maar Mars was tevreden, mede omdat nieuwe medewerkers zichzelf kunnen scholen via e-learning en een expertsysteem. Het risico van een effectmeting is natuurlijk dat de return on investment onvoldoende is en de klant ontevreden. Dan moet je als opleider uitleggen waar dat aan ligt, bijvoorbeeld de verworven kennis ging verloren omdat deze niet direct tijdens het werk kon worden toegepast. Ben je zelf tekort geschoten, geef dat dan toe, leer ervan en tref een redelijke voorziening met je opdrachtgever.”


Geen kneusje

Knaapen beaamt het belang van effectmeting: “De evaluatie van een training mag van mij best gaan over de kwaliteit van de lunch en het comfort van de stoelen. Maar waar het vooral omgaat is dat je vooraf een nulmeting doet naar de aanwezige kennis en vaardigheden, direct na de training weer en dan weer na zes maanden. Als er meer naar het rendement van opleidingen wordt gekeken, komen de overspannen verwachtingen en de loze beloftes rond soft skills in de verdrukking. Het bedrijfsleven zou daarnaast meer aan de weg moeten timmeren met successtories. Werken in de techniek is niet alleen interessant en bevredigend, je realiseert er ook projecten mee die maatschappelijk waardevol zijn en waar je je vrienden op kunt wijzen. De brug die je gebouwd hebt, het koffiezetapparaat dat je mede hebt ontworpen, dat zijn zaken waarmee je voor de dag kunt komen. Op macroniveau zullen we moeten werken aan eerherstel van de techniek, je bent geen kneusje als je op het VMBO zit en als iedereen dat blijft denken moet de kwalificatiestructuur maar op de helling. HRM-functionarissen kunnen ook een belangrijke bijdrage leveren door veel scherper te letten op de te overbruggen transfer tussen theorie en praktijk. Door praktijkervaring te waarderen als competentie ontstaat een beter beeld van reeds aanwezige vaardigheden en wordt het werk aantrekkelijker. Zo bieden we onze opdrachtgevers continuïteit en profiteert ook de samenleving, doordat de productiviteit van de economie als geheel wordt verhoogd met als gevolg een betere concurrentiepositie. Daarmee maken we de toegevoegde waarde van ons werk meetbaar. Saillant is natuurlijk dat meten een activiteit is die bij uitstek behoort tot het domein van de techniek. Misschien moeten we als opleiders daar eens te rade gaan, in plaats van te denken dat het altijd omgekeerd moet zijn.”



Techniek in verbondenheid


Het bedrijfsleven levert diverse inspanningen om werken in de techniek aantrekkelijker te maken. Het Hoofdbedrijfschap Ambachten heeft de website Vaktoppers (www.vaktoppers.nl) geïntroduceerd waar jongeren zichzelf kunnen testen op hun geschiktheid voor een aantal beroepen. De branchevereniging voor de procesindustrie VOMI geeft een cd-rom uit met animaties en filmpjes waarin jongeren zeggen ‘Techniek, daar kick je op’. De meest in het oog springende organisatie is de stichting Axis die in 1998 werd opgericht met als doel om in vijf jaar een ‘structurele en onorthodoxe aanpak te ontwikkelen’ die een einde maakt aan de tekorten op de arbeidsmarkt. Bij de projecten van Axis zijn enkele honderden onderwijsinstellingen betrokken (van basisschool tot beroepsonderwijs) en eenzelfde aantal bedrijven. Volgens eigen publicaties heeft Axis ongeveer 25 miljoen gulden begroot voor in totaal zeventig projecten, variërend van het herijken van lesprogramma’s aan de praktijk tot het dichter bij elkaar brengen van onderwijs en bedrijfsleven. Sommige bedrijven werven structureel onder ex-gedetineerden en op de Hanzehogeschool in Groningen worden studenten geattendeerd op wensen van consumenten. Er is een kennisbank met ‘good practices’ om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren. Axis pleit bij de politiek voor een ketenbenadering in het onderwijs, onder het motto: Beter kiezen, anders leren, loopbaan denken. In het basis- en voorgezet onderwijs zou meer gedaan moeten worden aan toegepast leren en techniek. In bètaopleidingen kan tijdens het propedeuse een beter beeld worden gegeven van de toepassing van de techniek en de verbondenheid met andere sectoren.


Een binnenkort door Axis te publiceren rapport van Bureau Bartels omschrijft in voorzichtige termen ervaringen van technische bedrijven met succesvol opereren op de arbeidsmarkt. Meestal gebeurt dat op eigen initiatief, maar er bestaan ook bedrijfsoverstijgende projecten. De bouw heeft regionale samenwerkingsverbanden om de uitval onder instromers te beperken en is daarin redelijk succesvol. De indruk bestaat dat veel bedrijfsscholen een revival doormaken, hoewel dit gegeven niet met cijfers kan worden onderbouwd. “Positieve ervaringen zijn opgedaan met het vergroten van de verantwoordelijkheden van medewerkers, de opstelling van opleidingsplannen en het bieden van doorstromingsmogelijkheden.”


===


Zo kan het ook


Duaal leren is in opkomst en hetzelfde geldt voor pogingen om drop-outs aan te trekken. Bij BSN Glass Pack (de vroegere Vereenigde Glasfabrieken) zijn beide trends gecombineerd tot een plan om drop-outs in dienst te nemen zodat zij hun opleiding tijdens het werk kunnen vervolgen. “Sommige bedrijven organiseren voor afgestudeerde Mbo’ers een introductiecursus op de Canarische Eilanden”, lacht hoofd Opleidingen Johan Schellingerhout. “Wie een laag budget heeft moet slim zijn en ik denk dat we dat geweest zijn. Het vinden van drop-outs is geen probleem, ze willen graag aan de slag en zijn praktisch ingesteld. Maar dat ze talentvol zijn is iets waar de chef erg aan moeten wennen, die zit meestal nog in het paradigma van de hiërarchie. Probleem is nu dat de directie, die aanvankelijk erg gereserveerd stond tegenover het plan, overtuigd is geraakt en aandringt op spoed. We moeten eerst taakanalyses bij de bestaande medewerkers maken en op basis daarvan opleidingsprogramma’s die op het intranet worden gezet zodat iedereen op eigen gelegenheid in een zelfgekozen tempo kennis over onze productiewijze kan opdoen. Het lesmateriaal gaan we ter beschikking stellen van ROC Da Vinci in Dordrecht waarmee we dit project hebben opgezet. Zij krijgen daarmee de kans theorie en praktijk te integreren in een leeromgeving die op de werkvloer bruikbaar en voor leerlingen motiverend is.



TERUG